Op welke onderdelen beoordeelt SCOOR een opleidingsinstituut?


Het SCOOR-Certificatieschema in het kort

OR-opleidingsinstituten die aan de eisen van de certificeringsregeling voldoen, krijgen van Stichting SCOOR een certificaat. Daarmee kunnen de instituten aantonen dat ze opleidingen van een behoorlijke kwaliteit kunnen leveren. Maar waaraan moet een opleidingsinstituut voldoen om in aanmerking te komen voor het SCOOR-certificaat? Welke punten komen bij de audit aan de orde? Hieronder kunt u zien welke punten dat zijn.

Het managementsysteem

Een opleidingsinstituut moet goed georganiseerd zijn. Zo moet het beschikken over heldere procedures om cursussen en trainingen te maken en te geven. Dat geldt voor zowel de maatwerktrainingen als de standaardcursussen. Bij de audit kijkt het externe auditbureau daarom of de procedures in het managementsysteem zijn verankerd, en of ze in een kwaliteitshandboek zijn vastgelegd. Het managementsysteem moet ook aangeven hoe het instituut de kwaliteit van de scholing meet en analyseert, én hoe het instituut de scholing nog verder denkt te verbeteren.

De directieverantwoordelijkheid en -beoordeling

Duidelijk moet zijn hoe de directie van het opleidingsinstituut de kwaliteit van het managementsysteem bewaakt en naleeft. In de certificeringsschema heet dit directieverantwoordelijkheid 1 en de directiebeoordeling. De directie is verantwoordelijk voor de beheersing en borging van klantgerichtheid, kwaliteitsbeleid, planning, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en communicatie, en de inzet van externe expertise. De directiebeoordeling vindt jaarlijks plaats in de vorm van een management review en wordt daarbij schriftelijk vastgelegd.

De kennis- en vaardigheidsgebieden

Bij de audit wordt ook gekeken naar de kennis en vaardigheden van het instituut én naar de kwaliteit en competenties van de opleiders. Verder is van belang in hoeverre het instituut de achtervang van opleiders heeft geregeld. Deze onderdelen staan in het certificeringsschema bij de kennis- en vaardigheidsgebieden.

Andere punten waarnaar bij de audit wordt gekeken

Het opleidingsinstituut moet de eisen en behoeften van de klant goed in kaart brengen. Dit gebeurt aan de hand van een uitvraag en intake. Een plan van aanpak/programma en een offerte moeten de opdrachtgever duidelijkheid geven over de scholing die het instituut gaat verzorgen. Ook moet er sprake zijn van een expliciete goedkeuring en opdrachtverstrekking. Daarna moet het instituut de opdracht uitvoeren, lees: de training of cursus geven. Ten slotte moet het instituut de training of cursus evalueren, en daarbij ingaan op de klanttevredenheid en de effecten van de training op de medezeggenschapspraktijk. Hiervoor is de schriftelijke eindrapportage bedoeld.

Gerealiseerd aantal trainingen en cursussen

Gekeken wordt ook naar de documentatie van minimaal 10 maatwerktrajecten en/of minimaal 10 cursussen die de afgelopen twaalf maanden zijn gegeven. Tevens wordt bij de audit gekeken naar de kwalificaties (competenties) van de MZ-professionals die daarbij ingezet zijn. Hierna adviseert het externe auditbureau aan het bestuur van SCOOR over het al dan niet verlenen van een certificaat met de aantekening “maatwerk” en/of “standaardcursussen”.

Het voorlopige certificaat

Een kandidaat-opleidingsinstituut dat niet voldoende aantoonbare ervaring heeft met het verzorgen van maatwerktrainingen of open inschrijvingscursussen, kan voor maximaal 12 maanden een voorlopig certificaat verwerven.
Een dergelijk opleidingsinstituut krijgt een voorlopig certificaat als het op basis van een initiële audit aantoont aan de overige eisen van het managementsysteem te voldoen.
Vervolgens krijgt het twaalf maanden de tijd om te voldoen aan de eis betreffende 10 maatwerktrainingen en/of 10 standaard-/open inschrijvingscursussen.

De volledige beschrijving vindt u in het certificatieschema van de regeling.

  1. Onder directie wordt in dit overzicht ook verstaan: een persoon/directeur.